Column
Gemeentepolitiek te Lebbeke, sinds 1795...
17 oktober 2006
“Gemeentepolitiek is boeiend, zeker wanneer het de politieke geschiedenis van het eigen dorp betreft.”, wordt vermeld in de inleiding.
Graag willen wij enkele stukjes brengen uit het voorname boek -
Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990- van dhr. Jozef Dauwe. Enkele columns willen we u graag meegeven die gaan over de politiek in Lebbeke sinds 1795, ofwel de voorbije twee eeuwen. De bedoeling van deze columns is om u te informeren over hoe de politiek in Lebbeke is geëvolueerd. Niets meer, niets minder.
“De ontwikkeling van de gemeentelijke politiek blijkt herhaaldelijk regelrecht in tegenspraak te zijn met de evoluties in de nationale politiek. Op lokaal vlak spelen immers persoonlijke factoren een veel grotere rol, zoals het belang van populaire volksfiguren, lokale intriges, familietwisten, benoemingsperikelen, enz.”
Politiek op zichzelf is in de jaren heen feitelijk niets veranderd. Of dan toch weer wel?
De Franse Periode (1795 – 1815) (pag.11)
”De diepgaande veranderingen die de Franse overheersing op bijna alle vlakken van de samenleving in onze gewesten teweegbracht, lieten zich ook scherp voelen in het politieke leven van onze vroegere parochies. Tot dan waren de lokale besturen in handen geweest van een schepenbank, voorgezeten door een vertegenwoordiger van het centraal gezag, hier meier genoemd. Na de val van het Directoire werden deze schepenbanken vervangen door verkozen vertegenwoordigers uit het volk, de communale administratie of gemeenteraad.”
”Op het einde van het Ancien Régime was het vorstelijk gezag te Lebbeke vertegenwoordigd door erfmeier Benedictus Emmanuel Beeckman. De laatste erfmeier van Lebbeke. Hij was een rechtstreekse afstammeling van Jan Beeckman, die van koning Philips IV op 1 januari 1675 de meierij van Lebbeke in leenpand had ontvangen. Het bestond voornamelijk in het uitvaardigen van officiële dagstellingen, het laten afkondigen van de kerkgeboden, de aanwezigheid bij openbare verkopingen en bij inventarisatie van sterfhuizen, het aanhoren van de gemeente-, kerk- en armenrekeningen.”
”De meier werd bijgestaan door een bank van zeven schepenen, van wie de eerste sinds het begin van de 18de eeuw de naam burgemeester droeg. De schepenen werden aangeduid onder de lokale ingezetenen; ze behoorden meestal tot de < grote gelanden > of grote grondeigenaars en boeren. Hun mandaat duurde in principe één jaar, maar werd in de praktijk verlengd; ze waren bovendien herkiesbaar. Voor wat betreft de 17de en 18de eeuw kan worden vastgesteld dat zij zeer dikwijls tot dezelfde familie behoorden. De laatste schepenbank werd in 1793 benoemd en bestond uit Frans Pieters burgemeester, David Moens, Frans De Vos, Jozef Oste, Jacob Staes, Jan van Keer en Jacobus Haems.”
”Lebbeke kreeg een politieke centrumfunctie in de regio. Gedurende de zes jaren van dit bestuur werd de gemeente namelijk kantonhoofdplaats, wat een belangrijk impact uitoefende op de politieke gebeurtenissen binnen de gemeente zelf. Als kantonhoofdplaats bestond Lebbeke uit een twaalftal gemeenten en enkele gehuchten (vanaf 1 oktober 1795). Later werd de gemeente Appels hieraan toegevoegd. Hier was Dendermonde absoluut tegen gekant omdat het geen economisch hinterland had, in tegenstelling met Lebbeke.”
” De Centrale Overheid van het Département de l’Escaut (Scheldedepartement), waartoe Lebbeke behoorde, had in elk kanton een vertegenwoordiger, de < commissaris van het directoir exécutif >. Die moest toezien op de toepassing en uitvoering van de Franse wetten en besluiten.Voor die functie legde op 8 mei 1797 dhr. Jan Baptist Cooman de eed af voor het kanton Lebbeke. Elk kanton had zijn eigen vrederechter. Voor Lebbeke werd Pieter Jacques Callebaut benoemd, voorheen notaris en rederijker te Aalst. Zijn griffier werd J. Bauvry.”
“ Tijdens de installatievergadering op 8 mei 1797 kwamen de recent verkozen vertegenwoordigers voor het kanton samen en legden de eed van haat af aan het koningdom en aan de regeringloosheid. Zij zwoeren ook de aanhankelijkheid aan de wetten van de Franse Republiek en aan de Constitutie van het jaar III.”
” Voor het kanton Lebbeke werden 377 inwoners uitgenodigd om hun stem uit te brengen. Jammer genoeg werd in die tijd meestal met geen woord gerept over het aantal dat effectief aan de stemming deelnam. Voor de verkiezingen van 1797 blijkt dat maar liefst 287 Lebbeekse burgers, die volgens de constitutie stemrecht hadden, zich niet hadden ingeschreven op de Régistre Civique en hun recht dus niet wilden uitoefenen. Het blijkt dus dat tengevolge van de apathie of het passief verzet van de bevolking de democratische stembusgang in wezen werd uitgeoefend door een uiterst klein groepje, dat bijna met een beurtrol onder elkaar de mandaten moest verdelen.”
(uit: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795 - 1990 van Jozef Dauwe, gedrukt in zeshonderd genummerde exemplaren door de Drukkerij A. De Cuyper-Robbrecht n.v.)
Categorie: