Afdeling
Lebbeke-Wieze-Denderbelle
Nieuws op www.vlaamsbelang.org

Column

Gemeentepolitiek in Lebbeke, sinds 1795... deel II

18 oktober 2006

Het verzet tegen de Franse bezetting. ( pag. 24-31 uit : Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795 – 1990 van schrijver Jozef Dauwe, gedrukt in zeshonderd exemplaren door de Drukkerij A. De Cuyper-Robberecht n.v. te Dendermonde-Zele).

In de periode tijdens de Franse bezetting heeft het overgrote deel van het Lebbeekse volk zich steeds verzet tegen de aanwezigheid van de Fransen. Onderstaande citaten uit het boek van Jozef Dauwe brengen meer aan het licht tijdens deze bezetting:

“Over de aanhankelijkheid van de Lebbekenaren aan het nieuwe bewind maakten de Fransen zich weinig of geen zorgen. Dat pastoor Karel De Backer (geen familie, n.v.d.r.) als enige uit de streek op 12 mei 1797 de eed van trouw aan de republiek had afgelegd, was een daad die louter ingegeven was door pragmatische motieven. Hierdoor konden de goddelijke diensten verder worden gehouden, de sacramenten uitgereikt en werd het kerkpatrimonium beveiligd.
Zijn handelswijze zou trouwens instemming van het merendeel van de plaatselijke bevolking weggedragen hebben.”


“Sporen van weerspannigheid tegen de Franse bezetter komen reeds voor in de tiendaagse verslagen vanaf 07 november 1796. Telkens beklaagde de directoirecommissaris zich over de moeilijkheden waarmee de belastingen geïnd werden en over de lamledige wijze waarop de ontvangers hun taak volbrachten. Op 1 januari 1797 schrijft de directoirecommissaris dat de agenten van verschillende gemeenten, waaronder deze van Lebbeke zelf, zeer ‘slordig’ waren op de wetten op de burgerlijke stand en op de patent- en andere belastingen toe te passen. In een rapport gewaagt hij over de fameuze opstand van 2 januari 1797 te Moorsel-Affligem. Hij onderstreept opnieuw de slechte wil van zijn ambtenaren om de wetten uit te voeren.”

“De latente ontevredenheid die overal in de bezette provincies voelbaar was komt ook hier het duidelijkst tot uiting in de periode van de Boerenkrijg. Op 29 november 1797 laakt de commissaris opnieuw het gedrag van zijn administratie, die weigert hem de namen mede te delen van de oud-griffiers en pastoors die hun eigendomstitels, archieven en boekhoudkundige bescheiden hadden achtergehouden.”

Ook Lebbeke heeft zich in de periode oktober 1798 ‘schuldig’ gemaakt aan rebellie. Een rumoerige tijd werd ingeluid tijdens de Franse bezetting. Uiteindelijk zal de Lebbekenaar zich niet laten doen. Lees volgende citaten maar:

De Boerenkrijg te Lebbeke.

“Het klimaat was dus geschapen opdat ook Lebbeke tijdens de Boerenopstand, die omstreeks 12 oktober 1798 uitbrak in het naburige Overmere, tot een haard van verzet zou uitgroeien. Niettegenstaande al de pogingen die nadien werden ondernomen om het aandeel van dit kanton in de onlusten te minimaliseren, en aldus te ontsnappen aan de hoge schadevergoedingen, kon niet worden weerlegd dat ook Lebbeke zich aan rebellie had schuldig gemaakt. Uit een verslag van de speciale commissarissen Fr. Malfeson en Fonson, belast met het onderzoek naar de opstanden in Lebbeke, blijkt dat tussen 23 en 25 oktober 1798 een 600tal ‘brigands’ in Lebbeke waren verzameld. Ze haalden het blauwe vaandel van Onze-Lieve-Vrouw uit de kerk van Lebbeke en met die Mariavlag voorop, trokken zij naar Dendermonde en van daaruit naar Lokeren om de Fransen te verslaan. Het secretariaat van de kantonhoofdplaats Lebbeke had erg te lijden van de brigands; veel documenten werden geroofd en verbrand. Ook bij de commissaris van de regering en bij de pastoor werden verscheidene diefstallen gepleegd; de tolbareel op de grote steenweg werd vernield en de ontvangen van zijn gelden beroofd.

Om de boeren op te roepen tot algemene opstand werden de klokken geluid en werd de vrijheidsboom, het symbool van de Franse aanwezigheid, die pas op 2 februari 1798 plechtig was aangeplant, omgehakt. Kort nadien, op 2 november 1798, werd Lebbeke nogmaals door de boeren bedreigd, doch toen kon men het gevaar tijdig afweren.

Onmiddellijk begon de centrale overheid een onderzoek naar de aanstokers van de opstand. Het grote probleem was echter dat de Lebbekenaars weigerden de schuldigen aan te wijzen en dat huiszoekingen niet konden worden uitgevoerd, omdat dit kanton over geen eigen politiemacht beschikte. Al één der chefs van de brigands werd niemand minder aangewezen dan de kantonsecretaris zelf : Guillaume Joseph De Lantsheere. Mede om zijn vermeend aandeel in de baldadigheden te Opwijk, waar hij vroeger griffier was geweest en waar zijn familie woonde, werd hij op kerstnacht 1798, om 3 uur ’s morgens door een patrouille van een zestal gendarmes in het gemeentehuis van Lebbeke uit zijn bed gehaald en naar Brussel overgebracht.

Ook na 1798 duurde de onrust voort. Zo weigerde de gemeenteadministratie de namen over te maken van diegene die nagelaten hadden te voldoen aan de verplichte lening van het jaar IV. Op het einde van het kantonale tijdperk was de verhouding tussen voor- en tegenstanders van de Fransen nog steeds zeer gespannen.”


Sommige citaten werden licht veranderd, maar deze doen niets af van het geheel van het citaat. Dit werd uitgevoerd om het de Lebbekenaar beter te laten verstaan.
(bron: ‘Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990’ van schrijver Jozef Dauwe.)



Categorie:   


Wil u ook een webstek als deze voor uw afdeling, district, koepel of regio?