Afdeling
Lebbeke-Wieze-Denderbelle
Nieuws op www.vlaamsbelang.org

Column

Gemeentepolitiek in Lebbeke, sinds 1795... deel IV

02 november 2006

Een column door Geert De Backer (bron: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990 van schrijver Jozef Dauwe)

De Hollandse periode. (1815-1830) (pag.37 – 48)

De overgang van het Franse Keizerrijk naar het Verenigd Koninkrijk verliep waarschijnlijk ook te Lebbeke zonder veel incidenten.
De verbonden mogendheden die na de val van Napoleon het landsbestuur uitoefenden, eisten van de dragers van openbare functies enkel een nieuwe eed van trouw. Onder die voorwaarde mochten ze op post blijven. Te Lebbeke legden de meeste, zoniet alle gemeenteraadsleden die eed af. Na de samenvoeging van België met Nederland onder Willen I, kreeg het Verenigd Koninkrijk een nieuwe grondwet (1815) en een nieuwe gemeentewet (KB 12 mei 1817) (…)

De auteur, Jozef Dauwe, vermeldt verder dat enkel de meerderjarige mannen stemgerechtigd waren die gedurende twee jaren in de gemeente woonden en minstens twintig gulden rechtstreekse belastingen betaalden.

De maire of burgemeester werd benoemd door de koning voor een periode van zes jaar. Bij ziekte of afwezigheid werd hij in de dorpen vervangen door één van zijn assessoren of schepenen. Het reglement van 1825 bepaalde dat men zowel voor de raadsleden als voor de assessoren een dubbele lijst moest opstellen (…)

Lokale democratie bestond er eigenlijk niet: de gemeenteraad werd gevormd door een oligarchie, (regering van slechts weinig personen die behoren tot de bevoorrechte klasse, n.v.d.r.).

De eerste verkiezing tijdens de Hollandse periode had in Lebbeke plaats in de loop van juli-augustus 1817. De raad bestond toen nog uit twintig raadsleden, voor het overgrote deel dezelfde die gediend hadden onder het Keizerrijk. Als burgemeester bleef Lieven Gaspar Stobbelaers in functie tot aan zijn dood op 25 november 1818, waarna hij opgevolgd werd door zijn jongere broer Lodewijk Frans.(…)

Op 8 mei 1820 hadden de verkiezingen plaats voor een nieuwe raad. A rato van zijn inwonersaantal had Lebbeke nu recht op twee schepenen en negen raadsleden. Zij zouden zetelen voor zes jaar en waren steeds herkiesbaar. De eerste benoeming gebeurde door de koning. Om de twee jaar, beginnend vanaf 1820, werd de hernieuwing van 1/3 voorzien. Bij de eerste twee hernieuwingen trad telkens één schepen af, bij de derde ook de burgemeester. (…)

Omdat Lebbeke 3.407 inwoners telde bepaalden de Gedeputeerde Staten op 28 februari 1822, dat de gemeente recht had op een derde schepen. Voor de schepenfuncties werden in eerste orde voorgesteld en nadien ook benoemd: Damiaan Bosteels, Balthasar Haems en Paschasius De Wolf. Volgens de benoemingsbrief van de gouverneur bestond het gemeentebestuur toen uit een burgemeester, drie schepenen en acht raadsleden. Deze legden de eed af op 16 maart 1822. (…)

Verder legt auteur Jozef Dauwe in zijn boek uit dat de politieke verhoudingen op het einde van de Hollandse periode moeilijk is te reconstrueren, bij gebrek aan toegankelijk bronnenmateriaal. De affaire met koster De Coninck, die breed uitgesponnen werd in de kerkarchieven, schrijft Dauwe, leert ons dat ook hier op lokaal vlak een felle strijd ontbrandde tussen de regeringsgezinde Orangisten en de, vooral katholieke, separatisten.

Jozef Dauwe over de affaire van koster De Coninck: (pag.40)

Wat begon als een tuchtsanctie voor een al te levenslustige kerkbediende deinde uit tot een affaire die het politieke leven in de gemeente gedurende de jaren voor de Belgische onafhankelijkheid volledig zou beheersen.


Meer hierover in een volgend hoofdstuk.





Categorie:   


Wil u ook een webstek als deze voor uw afdeling, district, koepel of regio?