Column
Gemeentepolitiek in Lebbeke sinds 1795... deel V
08 november 2006
Een column door Geert De Backer
De affaire van koster De Coninck. (pag. 40-45)
Auteur Jozef Dauwe geeft op pagina 40 weer dat de affaire van koster De Coninck gedurende de jaren voor de Belgische onafhankelijkheid het politieke leven in de gemeente grondig heeft beheerst.
Hoofdrolspeler was koster en organist Jan De Coninck, die in september 1809 zijn vader in dit ambt was opgevolgd. Volgens pastoor Martinus Ambroos was hij echter met de tijd verworden tot
‘een minaer der herbergen en overspeelder’, die door zijn aanhoudende
‘openbare en alombekende zedelooze daeden deeze eervolle en zeer voordeelige bedieningen onweerdig maakte’.
Herhaalde vermaningen brachten geen aarde aan de dijk en de incidenten stapelden zich op.
Op 11 december 1825 werd de koster door de nachtwacht uit de herberg gezet, maar hij keerde stiekem op zijn stappen terug en kwam ’s morgens
‘zoo dronken naer de Kerk, dat hy geene dienst konde doen’. ‘Dit schandig misdaed word ter gelgenhyd van den Dendermondschen merktdag door de vreemde, die op den maendag hier in menigte doorreyzen naar alle omliggende plaetzen overgedragen.’ en in heel de streek bekend gemaakt. Nu was de maat vol en op 31 december 1825 werd de koster door de Kerkraad voor onbepaalde tijd in zijn bediening geschorst; de sleutels van kerk en sacristie moest hij afgeven.
De gestrafte koster legde zich echter niet neer bij de visie van pastoor Ambroos en daagde een lid van de Kerkraad, wegens laster, voor de Dendermondse rechtbank. Op 20 oktober 1826 liet hij een smeekschrift geworden aan de gouverneur, mede ondertekend door een veertigtal inwoners die verklaarden dat zijn gedrag onberispelijk was. Intussen had de zaak de nodige ophef gemaakt en de gemeente verdeeld in twee kampen.(…)
(…) In Lebbeke schaarden de Orangisten zich rond koster De Coninck. Zij grepen het geschil tussen pastoor en koster dankbaar aan in hun strijd tegen de katholieke clerus (geestelijkheid, n.v.d.r.) die in onze provinciën via de tweede petitiebeweging haar krachtdadige hulp verleende aan het verzet tegen de koning.
Op 27 december 1829 legde de koster via een aangetekend schrijven aan de gouverneur, opnieuw zijn grieven voor. Hij beklaagde zich over de tirannie die de pastoor samen met burgemeester Stobbelaers, nota bene zijn eigen schoonbroer, in de gemeente uitoefenden. Ze hadden hem, vader van zes kinderen, gebroodroofd en tot zondebok gemaakt. Samen met hem zouden nu ook de ondertekenaars van de petitie vervolgd en gepest worden. (jaaja,… waar hebben we dat nog gehoord en gelezen… (n.v.d.r.)) Zo weigerde de pastoor hun de absolutie zolang zij hun handtekening niet herroepen hadden. (…)
Auteur Jozef Dauwe schrijft onder andere nog dat zowel door koster De Coninck als door andere Lebbeekse notabelen allerlei brieven, petities en contra-petities werden gepubliceerd. Volgens ik uit het boek kan opmaken was men toen reeds in Lebbeke constant bezig om aan ‘vriendjespolitiek’ te doen. Politiek naast de politiek. Net zoals vandaag het geval is bij de meerderheidspartijen.
Ten gevolge van al die heibel had de gouverneur via arrondissementscommissaris de Burbure ter plaatse een onderzoek laten uitvoeren. (…) De zaak had echter vele jaren lang de gemeente diepgaand verscheurd. De stukken van het dossier liet de pastoor integraal kopiëren in het Pastorele Handboek van de kerk (…). En inderdaad, ondanks herhaalde pogingen werd Jan De Coninck nooit meer in zijn functies hersteld.
(bron: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795 – 1990 door auteur en historicus Jozef Dauwe)
Categorie: