Column
Gemeentepolitiek te Lebbeke sinds 1795... deel VI
22 november 2006
Een column door Geert De Backer (bron: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990 door Jozef Dauwe)
Bestuurlijke spanningen.(pag.45 – 48)
Auteur Jozef Dauwe vermeldt op pagina 45 dat de Lebbeekse bevolking af te rekenen had met armoede tijdens de Hollandse periode. Op 24 november 1816 kwam de gemeenteraad zelfs in buitengewone vergadering bijeen om maatregelen te nemen tegen de gestegen levensduurte. De boeren zouden elke zondag vanop de pui (gevel van het gebiedshuisje) voor de kerk, aangespoord worden om hun arme buren te helpen en voedsel te leveren tegen lage prijzen aan het Bureel van Weldadigheid.
Auteur Dauwe vermeldt de inhoud van de aanplakbrief, zijnde:
“ Advertentie… in aendagt neemende de aermoede en de drengende noorzaekelykheyd waer in zig bevind de werkzaeme ende gemeyne classe van het volk door de overgroote dierte der levensmiddelen… hebben geresolveerd een oproepinge te doen aen de goedjonstigheyd der bemiddelde en medelydende inwoonderen der Gemeynte om ’t zy door eene volontaire inschryvinge ofte particuliere gifte, ’t zy door leverantie van koorn ende patatten, tot eenen civielen prys aen den bureele van Weldadigheyd, hunne behoeftige medeborgers ter hulp te komen”.
Ook het jaar erop constateerde men dat de werkende klasse in grote armoede gedompeld was ten gevolge van de heersende werkloosheid en van de prijsstijging der levensmiddelen. Als bijkomende oorzaak werd de teloorgang van het spinnen en vlasweven aangestipt, een bezigheid die voor velen een bron van inkomsten was. Men kan immers stellen dat de helft van de plattelandsbevolking in die periode, een hoofd- of bijverdienste vond in de huisnijverheid, voornamelijk in het spinnen van vlas (voor de vrouwen) en in het linnen weven (voor de mannen). De beginnende industrialisering in de steden bracht hieraan een gevoelige klap toe. Ook de aanhoudende epidemieën putten de krachten van de actieve bevolking uit. (…)
(…) Omdat vele arme huisgezinnen één, twee of zelfs meer honden hielden die dagelijks niet alleen onheil veroorzaakten, maar veel voedsel aten dat in deze hongertijd ook voor mensen bruikbaar was, werd op 9 augustus 1826 een taksreglement op het houden van honden goedgekeurd.
(n.v.d.r.: weer zo’n pestbelasting van de toenmalige VLD – benieuwd of dit ook in het gemeentelijk infokrantje stond).
Niettegenstaande het lenigen van de honger voor de overheid de primordiale (fundamentele) taak was die veel geld opslorpte, bleef er toch ook nog wat over voor openbare werken. De Baasrodestraat, toen de meest gebruikte weg van de gemeente, werd tussen 1808 en mei 1813 geplaveid. In 1811 werden voor 200 fl. herstellingen uitgevoerd aan het plaveisel van de Molenstraat en van de Minnestraat. (…)
Als besluit stelt auteur Dauwe het volgende:
“Zoals vermeld was het voor de periode 1820-1830 niet mogelijk de politieke verhoudingen juist in te schatten. In het algemeen kan gesteld dat Lebbeke een katholieke gemeente was. Dit blijkt uit het feit dat er in 1828 op een totale bevolking van ca. 3650 inwoners er slechts 8% waren die hun Pasen niet hielden. Het geschil rond koster De Coninck leert anderzijds dat er in die periode wel politieke animatie (zoals heden ten dage, n.v.d.r.) was. Naast een geëngageerde separatistische beweging rond pastoor Ambroos en burgemeester Stobbelaers, was er ook een harde anti-revolutionaire kern aanwezig waarvan een aantal vooraanstaande nijveraars en intellectuelen de spil vormden, mannen die blijkbaar openlijke aanvallen op de clerus (geestelijkheid) via schotschriften (pamfletten) en perscampagnes niet schuwden."
Bron: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990 – auteur Jozef Dauwe.
Categorie: