Afdeling
Lebbeke-Wieze-Denderbelle
Nieuws op www.vlaamsbelang.org

Column

Gemeentepolitiek te Lebbeke sinds 1795. Deel IX.

19 mei 2007

Een column door Geert De Backer

We schrijven 1854. Met de benoeming van Jozef Jan Philipkin tot burgemeester werd een nieuw elan gegeven aan een periode van politiek unionisme, die pas eindigde met de verkiezingen van 29 oktober 1878. Toen diende zich voor het eerst een afzonderlijke liberale lijst aan.
Philipkin, die van 1855 tot aan zijn dood op 26 april 1875, dus 20 jaar lang, de gemeente bestuurde heeft in sterke mate zijn persoonlijke stempel gedrukt op het beleid.

Onder zijn bestuur werden een groot aantal openbare werken uitgevoerd. Zoals in het verleden werd dit middel nog steeds met succes gehanteerd om, vooral gedurende het winterseizoen, de behoeftigen werk te verschaffen. Ze werden ingezet bij het nivelleren van wegtracés en voor het vervoer van zavel.
De werken aan de verharding van de weg Baasrode-Wieze werden op 1 september 1857 voorlopig stilgelegd; pas 2 jaar later werkte men dit traject verder af. Door het uitblijven van staats- en provinciesubsidies zat de gemeente in geldnood. Om de nodige financiële armslag te krijgen vroeg men machtiging om gedurende tien jaar een tol te mogen heffen op die weg.
Op 7 mei 1859 werd beslist de Breestraat te verharden, waar op dat moment tyfus en andere besmettelijke ziekten heersten, en twee jaar later werd het plan goedgekeurd om de Rossevaalstraat en de Heizijdestraat van kasseien te voorzien. Een kleine tien jaar later begon men te werken aan het Dorp en aan de Minnestraat en kasseide men de Donkerstraat, de Lindekensstraat, de Opwijkse Heirbaan en een deel van de Breestraat. Ook kleinere straten werden niet vergeten; in de zitting van 5 februari 1872 bereikte men een akkoord over bestratingswerken aan elf buurtwegen met een totale lengte van 6.249 m. bij een breedte van 3 m.. Op 10 maart 1876 ging men over tot gelijkaardige werken aan de Molenstraat, de Minnestraat en het Dorpsplein. Opmerkelijk is dat de aanvraag van fabrikant P.F. De Naeyer om de Hoge Weg en de Kasteelstraat (waar hij woonde) te verharden, op 17 januari 1873 geweigerd werd. Klaarblijkelijk gebeurde dit met een politieke bijbedoeling.
Vanaf 29 april 1878 werd begonnen met de aankoop van tegels voor het verharden van de voetpaden op de secundaire wegen.
Voor het bekostigen van dit omvangrijk project van openbare werken was de gemeente grotendeels aangewezen op bijkomende opcentiemen en op de verplichte corvees in mankracht. Vanaf 3 december 1867 vroeg men bij herhaling om de tolrechten op de vrije gemeentewegen te mogen afschaffen. Twaalf jaar later was dit verzoek nog niet ingewilligd. Ter compensatie van de afgeschafte bareelrechten stelde men voor vanaf 1879 tien jaar lang vijf bijkomende opcentiemen te heffen om het fonds van de bestratingswerken te spijzen.

Het belang van goede verbindingswegen, mede in het licht van de nieuw ingerichte weekmarkt, was legio. Op 16 maart 1866 wijdde de Raad haar volledige zitting aan het belangrijk project van de geplande spoorlijn Brussel – Dendermonde via Lebbeke en stuurde haar standpunt hierover aan de Minister van Openbare Werken. Op 28 februari 1871 werden nogmaals de voordelen van een directe spoorverbinding Dendermonde – Brussel over Lebbeke onderstreept. Als argmunent haalde men aan dat de gemeente veel industrie had, met name vier fabrieken, en een belangrijk landbouwcentrum was met grote weekmarkt. Het bestuur zette zich dus duidelijk in voor een zo groot mogelijke ontsluiting van de gemeente via het spoornet. Wanneer een politieke tegenstrever er baat bij had werd de zaak evenwel iets anders bekeken. Zo weigerde de gemeenteraad op 16 juli 1877 de aanvraag van P.F. De Naeyer te ondertekenen voor het bekomen van een halte op de wijk Klein-Antwerpen naast zijn fabrieken.

Onder het bestuur van Philipkin werd het architecturaal uitzicht van de dorpskern grondig gewijzigd: een marktplein werd aangelegd en het nieuw gemeentehuis gebouwd. De statige huizen aan het begin van de Dendermondse steenweg en deze aangelegd rond het nieuwe marktplein, werden wit bepleisterd en gaven de dorpskom een bijna stedelijke allure. Dit blijkt uit oude prentkaarten en uit het relaas van een eigentijdse bezoeker. Ook met de oprichting van het nieuwe Godshuis, gepland sinds 1867, werd in 1874 een aanvang gemaakt.
De belangrijkste economische realisatie was ongetwijfeld de inrichting van een jaar- en weekmarkt bij KB van 17 augustus 1864. De markt heeft veel bijgedragen tot de uitbouw van de handel en nijverheid in de gemeente.

Sociaal gezien trad aan het einde toe van de behandelde periode een relatieve verbetering in van de levensstandaard. Bij de aanvang heersten hier in elk geval nog schrijnende toestanden. Zo werd in de begroting van 1855 het loon van de vruchtenbewaarders verhoogd tot 1,36 frank per dag; wegens de veelvuldige diefstallen van veldvruchten moesten zij immers opnieuw dag en nacht in de velden patrouilleren. Dat dit geen overbodige luxe was blijkt uit politie-rapporten. In de maand september 1860 bvb. werden hier nog negen diefstallen van aardappelen geverbaliseerd! Deze diefstallen werden vooral gepleegd door kinderen van 12 à 17 jaar, maar ook door ouderen die wellicht gedreven door de honger, ’s nachts hun voedsel of alles wat maar enigszins eetbaar was, gingen stelen. Dit was geen alleenstaand feit. Ook in de omliggende dorpen werden er ten gevolge van de steeds opduikende voedselschaarste gelijkaardige misdrijven vastgesteld. Op sociaal vlak kregen de gezinnen die een kostwinner onder de wapens hadden, vanaf 1870, een beperkte gemeentelijke steun.

Om de verbreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan stelde de gemeenteraad op 20 juni 1863 een wedstrijd in voor het rein en zindelijk houden van woningen. Toen hier opnieuw een veeplaag woedde, werd alles in het werk gesteld om de verkoop van bedorven vlees tegen te gaan: zo werd op 22 september 1865 het eerste gemeentelijk reglement op de verkoop van vlees goedgestemd.

Ook voor het verhogen van het onderwijspeil werden de inspanningen voortgezet. In 1860 vroeg men machtiging voor de bouw van een eigen school met onderwijzershuis. Dit was hoogstnodig want reeds 264 arme jongens bezochten toen de gemeenteschool. Daarnaast werd tussengekomen in het onderwijs van de 203 arme meisjes die onderricht volgden in de aangenomen zusterschool. Om bij de volwassenen eveneens het vormingspeil te verhogen, werd in 1868 toelating verleend voor het inrichten van een school voor volwassenen. Op cultureel gebied werd na veel moeilijkheden een gemeentelijke muziekschool opgestart. Het was oorspronkelijk een liberaal project dat zijn grondslag vond in de politieke strijd tussen de twee muziekmaatschappijen van de gemeente.

Vanuit politiek oogpunt kan het bestuur van Philipkin over het algemeen als een periode van eensgezindheid bestempeld worden. In de acht gemeentekiezingen tussen 1854 en 1875 werden de kandidaten gemiddeld met 91% van de uitgebrachte stemmen verkozen. (…) De gemeenteraad was homogeen katholiek. De cohesie komt goed tot uiting in de verkiezing van gemeentelijke ambtenaren. Na het overlijden van secretaris Jan Bapt. De Blieck, die de functie waarnam van 1822 tot aan zijn dood, wordt hij een korte tijd opgevolgd door zijn zoon Adolf, en na een jaar door de katholieke kandidaat Emmanuel De Vos, die op 6 september 1870 de eed aflegde.

Op 5 februari 1866 wordt toelating gevraagd om in de gemeente een politiecommissaris te mogen aanstellen. Herbergier Victor Van De Moortel wordt eenparig als eerste kandidaat voorgedragen. De twee liberale kandidaten werden zelfs niet eens in tweede orde voorgesteld.

De politieke strijd die gedurende de zeventiger jaren van de vorige eeuw (nvdr. 18..) in de meeste dorpen losbrandde, was te Lebbeke niet bij machte om de politieke constellatie (toestand) ook maar enigszins te wijzigen. Unaniem werden in de opeenvolgende kiezingen de uittredende (katholieke) raadsleden herkozen. Dat nam echter niet weg dat het aantal liberaal-gezinden met de dag groeide en zich opnieuw groepeerde. Deze politieke polarisatie (ontwikkeling) was hier weeral het duidelijkst voelbaar in het cultureel en ontspanningsleven, waarvan de muziekmaatschappij de slagader bleef. Binnen de ideologische gespleten samenleving scheurde een deel van de muzikanten en van de bestuursleden in 1874 opnieuw af van de harmonie St.-Cecilia. Aan het hoofd van de dissidenten stond de voorzitter zelf van de harmonie, Victor De Naeyer, broer van Pieter Frans. Samen richtten ze een nieuwe muziekmaatschappij op, die zich aansloot bij de liberale politieke stroming. Op 1 augustus 1874 werd de fanfare Orpheus door 36 leden definitief gesticht. De eerste voorzitter was Victor De Nayer. Directeur of muziekmeester van de jonge fanfare werd Jan Van Overstraeten, zoon van Pieter Jozef, de man die tussen 1858 en 1863 het eerste liberale fanfare-experiment had uitgebouwd. Opnieuw moest de jonge vereniging afrekenen met een felle politieke tegenwind. Ditmaal bleef de fanfare echter overeind: zij bouwde zich uit tot het electoraal bastion van de liberalen in de gemeente. De harmonie van haar kant, die na de afscheuring ideologisch meer uniform was, bleef de campagnemachine van de katholieke partij.

De gemeente was duidelijk niet langer meer in levensbeschouwelijke éénklank gedompeld. Na het verdwijnen van de sterke persoonlijkheid van burgemeester J.J. Philipkin, zal de tijdsgeest mee zorgen voor een onafwendbare klimaatswijziging in de politiek.

(uit: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795-1990, geschreven door dhr. Jozef Dauwe.)



Categorie:   


Wil u ook een webstek als deze voor uw afdeling, district, koepel of regio?