Afdeling
Lebbeke-Wieze-Denderbelle
Nieuws op www.vlaamsbelang.org

Column

Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795 – 1990 : deel X : Van liberaal elan naar katholieke homogeniteit.

15 oktober 2007

Bij de gemeenteverkiezingen van 29 oktober 1878 verscheen een volledig nieuw kieswetboek in het Staatsblad van 23 mei 1878. Om gemeentekiezer te zijn moest men voortaan Belg zijn, 21 jaar oud op de dag van de verkiezingen en aan de staat nog slechts tien fr. rechtstreekse belasting betalen, patentrecht inbegrepen. Elk jaar zouden de kiezerslijsten tussen 1 en 14 augustus herzien worden, overeenkomstig de rol van de belastingsontvanger. De namen van de nieuwe kiezers, evenals die van de geschrapten, werden gedurende de eerste week van september aan het gemeentehuis aangeplakt. Ook de materiële stemformaliteiten werden gewijzigd. Vroeger ontving de kiezer samen met zijn oproepingsbrief vijf biljetten waarop hij zelf de namen van de kandidaten invulde. Vanaf nu stonden die namen op één stembriefje gedrukt. In de eerste kolom stond de lijst met de naam die het eerst in de alfabetische orde voorkwam. De partijen konden eisen dat bovenaan hun lijst een bepaald onderscheidingsteken werd gedrukt, nl. een ster, een cirkel of een ruit. De driejaarlijkse vernieuwing bij helften bleef in voege : de eerste reeks zou normaal uittreden op 1 januari 1879 en de tweede op 1 januari 1882.
De kandidaten moesten tijdig voorgedragen worden door minstens tien kiezers. Het KB van 20 september riep alle stemgerechtigden op tegen dinsdag 29 oktober te 9 uur.

Zes gemeenteraadsleden van de tweede reeks moesten hier gekozen worden voor een ambtstermijn tot 1 januari 1879. Voor de eerste maal kwamen er in Lebbeke twee lijsten op. Bij de parlementsverkiezingen van juni was gebleken dat de liberalen een groot deel van het kiezerskorps achter zich hadden en ongetwijfeld wilden zij ook op lokaal vlak hun aanhang testen. Op de katholieke lijst stonden de zes uittredende kandidaten, voorgedragen door tien kiezers. De liberale lijst bestond slechts uit één kandidaat, nl. olieslager Frans Jan Van Overstraeten. Ook hij werd door tien kiezers voorgesteld. Overeenkomstig de nieuwe bepalingen van de kieswet vroegen beiden om een eigen onderscheidingsteken boven hun lijst te plaatsen.
In het hoofdbureel, ingericht op het gemeentehuis, stemden de kiezers van wie de familienaam begon met de letters A tot L; een tweede kiesbureel voor kiezers van M tot Z was ingericht in de Zondagsschool ( huidig gasthof Bierboom, naast de kerk )
471 gemeentekiezers werden opgeroepen, waaronder 452 cijnskiezers en 19 kiesgerechtigden krachtens art. 8.2; 416 onder hen (88,3%) brachten 404 geldige stemmen uit. (…)

Alle uittredende kandidaten van de katholieke lijst werden met grote meerderheid ( gemiddeld 72,68% ) herkozen. De liberale kandidaat Van Overstraeten werd niet verkozen. Hij behaalde 135 stemmen. Dit betekende dat 33% of 1/3 van de kiesgerechtigden een duidelijk liberale voorkeur hadden laten blijken !

Over het politiek klimaat tijdens deze kiezing is – aldus auteur Jozef Dauwe – weinig gekend; enkele maanden voordien was het hier in elk geval zeer rustig en niets wees er op dat die rust zou worden verstoord. Bij KB van 2 april 1879 werden Joos Cooreman als burgemeester en P.J.C. De Herdt samen met J.P. Van Assche als schepenen herbenoemd. (…)



Door het overlijden van Jan Paul Van Assche en van Bavo Leo Van Damme in de eerste maanden van 1882 werd op 14 april 1882 machtiging gevraagd om een buitengewone kiezing te mogen houden op dinsdag 16 mei 1882, teneinde in de vacatures te voorzien. Er werden twee lijsten ingediend.
De twee katholieke kandidaten Jozef en Karel Segers werden verkozen, echter met een relatief kleine meerderheid van 54% tegen 46% voor de liberale kandidaten. Deze laatsten beweerden dat de katholieken de verkiezingen vervalst hadden en dienden op 22 mei 1882 klacht in. Hun bezwaarschrift was ondertekend door 19 personen. Ze voerden niet minder dan vijftien grieven aan, onder andere Benoit Moortgat, herbergier en handelaar, zou bij kleermaker Jan Dits lang aangedrongen hebben om te stemmen voor de twee Segers’en. Indien de kleermaker thuis wilde blijven of een met een kruis getekend briefje in de bus wou steken ten voordele van de katholieke lijst, beloofde hij dat Dits voor hem twee nieuwe kostuums mocht maken. (…)

De liberale klachtdoeners lieten op 17 juni 1882 een lijst met een zeventiental getuigen geworden. De bevestigden in hun verklaringen grotendeels de aangehaalde feiten. De tegengetuigen van de katholieke lijst ontkenden daarentegen bij hoog en bij laag met iemand van de genoemde personen over de kiezing zelfs maar gesproken te hebben. Alleen onderwijzer Aloïs Tirez gaf toe dat hij sommige kiezers in naam van de pastoor beleefd verzocht had om voor de katholieke lijst te stemmen (…).

De kiezing was bijzonder turbulent verlopen en had blijkbaar aanleiding gegeven tot baldadigheden en vandalisme. Op de vraag van enkele ingezetenen om vergoeding te bekomen voor de schade hun toegebracht bij de laatste verkiezingen, besloot het schepencollege op 20 mei 1882 om de schade te herstellen en der vergoeding naar de raad te verwijzen.

Nadat het algemeen meervoudig stemrecht was aangenomen voor de parlementsverkiezingen, kon men nog moeilijk de gemeenteverkiezingen laten gebeuren op basis van het cijnskiesrecht. In de nieuwe wet op de gemeenteverkiezingen van 11 april 1895 werd de cijnseis dan ook afgeschaft. Iedere man van 30 jaar, die de hoedanigheid van Belg bezat en sedert ten minste drie jaar zijn woonverblijf in de gemeente had, kreeg stemrecht. Een bijkomende stem werd verleend aan een kiezerfamiliehoofd die ten volle 35 jaar was en minstens 5 fr. belasting betaalde. Een tweede bijkomende stem werd verleend aan een kiezer-eigenaar als zijn goed een kadastraal inkomen had van minstens 150 fr. Niemand mocht echter meer den vier stemmen uitbrengen. De nieuwe wet schakelde de jonge en minder sedentaire (vastverblijvende) arbeiders uit en bevoordeligde nogmaals de rijke burgerij.

Vanaf nu werden de gemeenteraden gekozen voor een periode van acht jaar, aanvang nemend de eerste januari na hun verkiezing. Om de vier jaar worden ze voor de helft vernieuwd; de leden zijn herkiesbaar. Tot in 1893 was de stemming vrij geweest. Vanaf nu was het verplicht op straf van boete aan de kiezing deel te nemen, m.a.w in plaats van het vroegere kiesrecht werd een kiesplicht ingevoerd.

(uit: Gemeentepolitiek te Lebbeke 1795 – 1990 door dhr. Jozef Dauwe)



Categorie:   


Wil u ook een webstek als deze voor uw afdeling, district, koepel of regio?