Nieuws
11 juli: Vlaanderen feest.
09 juli 2007
Inderdaad, 11 juli is dé Vlaamse feestdag bij uitstek. Alle Vlaams-nationalisten hangen dan de leeuwenvlag uit. De Vlaamse gemeenschap koos 11 juli als feestdag. Tot op vandaag geldt in vele Vlaams-nationalistische kringen de Guldensporenslag als symbool voor de vele taalstrijden tussen Vlamingen en Franstaligen.
Vlaanderen had al lang een speciale status binnen het Franse Koninkrijk, het was weliswaar in naam afhankelijk van Frankrijk, maar voerde sinds Boudewijn II een onafhankelijke koers. Economisch was het immers veel meer afhankelijk van de handel met Engeland, voornamelijk door de wolhandel. Het feodale systeem was al lang ondermijnd sinds de opkomst van de macht van de drie grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper.
Sinds 1294 was Frankrijk in oorlog met Engeland. Vlaanderen koos de kant van Engeland (bekrachtigd door een verdrag uit 7 januari 1297) en Frankrijk viel daarop Vlaanderen binnen. Een voor een vielen de Vlaamse steden in Franse handen. Edward I van Engeland zond hulptroepen, maar trok zich in maart 1298 uit Vlaanderen terug nadat hij, ondanks een verdrag met graaf Gwijde van Dampierre, opnieuw vrede had gesloten met de Franse koning.
Het kleine Vlaamse leger was geen partij voor de Fransen en op 6 januari 1300 werd een wapenstilstand ondertekend. Frankrijk had zijn gezag over Vlaanderen hersteld en zette een aantal belangrijke ridders, onder andere de graaf Gwijde van Dampierre en zijn zonen, gevangen. Een Franse landvoogd, Jacques de Châtillon, werd aangesteld.
In mei 1301 hield de Franse koning Filips IV een Blijde intrede 1301 in de Vlaamse steden. Een deel van de hoge belastingen werd afgeschaft. De afschaffing was echter vooral in het voordeel van de patriciërs (vooral Fransgezinde leliaards) en niet zozeer van de ambachten en volksklasse, de Liebaards/Klauwaerts , aanhangers van de graaf.
Het volk morde. Een populaire wever uit Brugge, Pieter de Coninck, probeerde voor de zaak van de ambachtslieden op te komen. Als gevaarlijke opjutter werd hij door het Brugse stadsbestuur in 1301 gevangen gezet en later verbannen.
In maart 1302 kwamen de Liebaards /Klauwaerts van Gent in opstand na het opnieuw verhogen van de belastingen. Als gevolg daarvan werden de Fransgezinde leliaards uit de stad gezet. Ook in Brugge grepen de Liebaards Klauwaerts opnieuw de macht. De landvoogd organiseerde zijn leger in Kortrijk om Gent en Brugge weer in zijn greep te krijgen. Uit vrees voor represailles gaf het Gentse stadsbestuur toe en zegde het toe zich verder afzijdig te houden. Toen het kleine leger van de landvoogd echter Brugge bezette, werden zij in de nacht van 18 mei 1302 (Goede vrijdag) door de Liebaards/ Klauwaerts onder leiding van Pieter de Coninck en Jan Breydel massaal afgeslacht (Brugse Metten). De landvoogd zelf kon maar op het nippertje ontsnappen.
Het werd toen duidelijk voor alle aanhangers van de graaf dat een gewapend optreden van Frankrijk onvermijdelijk was geworden. Willem van Gulik, een kleinzoon van Gwijde van Dampierre, en Gwijde van Namen, een zoon, organiseerden het verzet. Het leger bestond vooral uit boeren, gewone mensen, ambachtslieden en poorters, samen met enkele stedelijke milities en ridders. Het werd vooral door het stadsbestuur van Brugge gefinancierd. De leliaards werden uit de meeste Vlaamse steden verjaagd. Arnold V van Loon, die waarschijnlijk niet geloofde in een Vlaamse overwinning, verkoos een ommetje te maken langs Jan II van Brabant. Twee van Arnolds leenmannen, Willem en Jan van Pietersheim, namen wel deel aan de Guldensporenslag.
Het Franse leger trok rond juni 1302 naar het graafschap Vlaanderen om de slachting in Brugge te wreken en Vlaanderen weer onder Franse controle te brengen. Het Franse leger bestond uit 2500 man adellijke cavalerie, 1000 kruisboogschutters, 2000 piekeniers en 3000 andere soldaten, in totaal 8500 man met krijgservaring en zware wapens. Het stond onder de leiding van Robert II van Artois. Op 8 juli arriveerden ze bij Kortrijk.
Het Vlaamse leger bestond uit troepen uit Brugge (zo’n 3000 man) onder leiding van Willem van Gulik. Daarbij kwamen nog zo’n 2500 man uit het Brugse ommeland en van de kust (het Brugse Vrije), geleid door Gwijde van Namen. Ieper, onder leiding van Phillipus Baelde en Pieter van Belle, stuurde 500 man, en 500 man werden in reserve gehouden onder bevel van Jan III van Renesse. Uit Oost-Vlaanderen kwam nog eens 2500 man, waarvan 700 uit Gent, geleid door Jan Borluut. In totaal waren er zo’n 9000 man waarvan slechts 400 edelen te paard.
Het Vlaamse leger stelde zich op buiten de stad Kortrijk achter de Grote Beek en de Groeningebeek. Er werden drie vleugels opgesteld: de "Oost-Vlamingen" rechts, de Bruggelingen links en in het midden de andere "West-Vlamingen". Het leger van Ieper bewaakte de burcht van Kortrijk waar zich nog een klein garnizoen Franse soldaten bevond. Het reserveleger van Jan van Renesse werd achter de drie linies opgesteld.
Rond de middag van 11 juli begon de strijd. Eerst werden er van beide zijden pijlen afgeschoten. De Vlaamse boogschutters raakten echter snel door hun voorraad pijlen heen. Het Franse voetvolk rukte op en stak de beide beken over. Omdat dit de aanval van de ruiterij zou bemoeilijken - de ridders wilden eigenhandig het bloed van de Brugse Metten wreken - werd het voetvolk echter teruggetrokken. Onmiddellijk vielen de Franse ridders aan.
De linkervleugel snelde naar de Grote Beek, maar moest daar afremmen om over de drie meter brede beek te geraken. Nadat de paarden de overkant hadden bereikt, was de aanloop te kort om een bres in de Vlaamse linies te kunnen maken. Voetvolk ving de ruiterij op. Een vernieuwing voor die tijd was dat veel voetvolk in deze slag uitgerust was met hellebaarden, lange pieken met een haak en een bijl. Met de haak trokken ze veel ridders van hun paard en anderen, gewapend met o.a. goedendags, wierpen zich dan op de weerloze ridders die gehinderd werden door hun zware wapenuitrusting.
Aan de rechterzijde speelde zich hetzelfde scenario af. Het Franse garnizoen van Kortrijk probeerde nog een uitval, maar die werd door het leger van Ieper opgevangen.
Het centrum van de Vlamingen, iets verder gelegen van de beken, kwam wel in problemen: de Franse ruiterij had daar een langere aanloop en brak hier en daar door de Vlaamse linies. Het reserveleger van Jan van Renesse kwam echter te hulp. Over de hele linie werd er op korte afstand strijd geleverd. De ruiterij was daardoor weinig slagkrachtig en werd afgeslacht. De strijd werd in het voordeel van de Vlamingen beslecht toen de Franse opperbevelhebber Robert II van Artois sneuvelde. Hij werd door Willem van Saeftinghe gedood.
Het Franse voetvolk en de overgebleven ridders probeerden te vluchten, maar ze werden tot tien kilometer ver achtervolgd en afgemaakt, ook Brabanders die aan de zijde van de Fransen meevochten. Vooraf was onder de Vlamingen afgesproken geen gevangenen te maken en ook geen oorlogsbuit te verzamelen - de Fransen zouden immers ook geen medelijden kennen. Dit was voor deze tijd een uitzonderlijke instelling: gevangen ridders brachten immers heel wat losgeld op. De volgende dag vonden de Vlamingen op het slagveld onder andere minstens vijfhonderd vergulde sporen, vandaar de (moderne) naam van de slag. (uit: Wikipedia)